13-02-06

TIC deel 93 nr.1 2006

COTTON IS (STILL) KING…

KATOEN IS (MEER DAN OOIT) KONING…
Een witte draad in het weefsel der geschiedenis
Jean De Bosschere

 

Hebben wij eigenlijk ooit al eens stilgestaan bij de vraag: maar waar ligt nu eigenlijk de oorsprong van mijn katoenen onderlijfje, mijn onderbroek, mijn hemd, mijn T-shirt, mijn jeans… nu ja, om kort te gaan “onze kledij” ?

Enige uitleg zal misschien enkele mysteries daaromtrent ontsluieren.

Want van het veld tot aan de poorten van de spinnerij wordt een lange weg afgelegd, vooraleer zelfs maar een begin kan gemaakt worden met de vervaardiging van onze “lingerie”.

Indien geïnteresseerd, dan kan volgende bijdrage, waarde lezers en lezeressen, enige klaarheid verschaffen.

 

Van bij het begin van zijn ontstaan heeft de mens steeds inspanningen gedaan om zich te kleden, om zich aldus te beschermen tegen de soms agressieve natuurelementen: wind, regen, koude, zon, hitte, enz. 

Zowel de vraag naar kleding als die van voeding stonden steeds in het brandpunt van de menselijke economische bedrijvigheid. Haren en huiden van dieren, wol en vlas dienden als stof voor de vervaardiging van de eerste weefsels.

 

In het begin primeerde het functionele van de kledij. Echter, steeds meer begon ook de ‘menselijke ijdelheid’ een rol te spelen. Vandaar de mode(trends)… we zouden geen mensen zijn als we niet iets anders dan het gangbare zouden wensen.

 

Het doel van deze bijdrage is om jullie te laten kennismaken met iets dat in de loop van ons leven een der natuurlijkste zaken ter wereld schijnt te zijn, maar dat, bij nadere beschouwing, een hele weg blijkt af te leggen vooraleer het als een onderdeel van onze kledij gaat deel uitmaken, namelijk het reeds eerder genoemde hemd, onderhemd, broekje, zomerjurk(je), en dies meer. 

 

Den Bleu - een begrip (niet alleen) in het Gentse …

De NV Bleu d’Outremer. Deel twee.

Roland Baudu
 

Als er een reden is om tot de publicatie van een tweede deel over te gaan, is het wel de complexiteit der omstandigheden waardoor deze chemische fabriek op het grondgebied van Sint Amandsberg van de kaart werd geveegd, aan het licht gekomen via de talrijke interviews die de auteur van oud werkgevers en -nemers heeft afgenomen: een mooie proeve van Oral History en bedrijfsgeschiedenis over een toch niet onbelangrijke Gentse firma…

 

Bijgevolg wordt in volgorde eerst nog aandacht besteed aan drie afdelingen die een belangrijke schakel waren in dit bedrijf: de drukkerij, de verpakkingseenheid, de smidse.

Daarna vindt u een verhandeling over: een commerciële evolutie, de balans van het bedrijf in het jaar 1967, een overzicht van de inventaris, het klantenbestand en de gegadigde leveranciers.

Ook wordt het bestaan van sociale voordelen even belicht, met een blik op de ernaast gelegen riante villa, gebouwd in opdracht van de stichter van de fabriek.

 

In het deel dat handelt over de teloorgang van Bleu d’Outremer, vindt u achtereenvolgens relaasposten over: de woelige jaren, de media over de zwanenzang, een meesterlijke zet, de finaliteit.

Uittreksels uit een archief van krantenknipsels geeft een kijk op de evolutie in de eindfase, gestaafd via inzage ervan door de laatste directeur : een exclusieve brief, het besluit van de burgemeester, de rol van de vakbonden, Belgische toestanden, overmacht, beheer, afslanking, de beurs, een klein bedrijf in wording, de rechtbank, het faillissement, de gerealiseerde tegemoetkomingen, een laatste toelichting door Elien Crombeen, en laatste bedenkingen.

Het eindblad vermeldt de verschillende directieleden met hun functie.

 

Er wordt besloten met een dankwoord aan alle medewerkenden, een eindwoord en een poëtisch gevormd ‘in memoriam’ door de auteur…

 

(deel 1: zie TIC deel 89 1ste trimester 2005 Cahier 33 pp. 1 tot 33)

 

 

giftic.gif (10244 bytes)

 

We danken hierbij heel speciaal nog eens onze sponsor, 

NV Geers Offset NV, zonder wiens steun deze fraaie uitgave niet mogelijk was geweest.

 

Nieuwsgierig?

Binnenkort in UW brievenbus!

 

 

12:40 Gepost door VIATvzw | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

03-10-05

TIC 92 deel 4 2005

 

 

 

 

 

Historische briefhoofden

&

Van Maison de Confiance

tot Grand Bazar

 

Historische briefhoofden:

niet meer dan een

marketing tool

voor de 

ijdele ondernemer?

 

Jurgen Mestdagh

 

De vaak mooi versierde briefhoofden van handel en nijverheid roepennostalgie op en spreken tot de verbeelding, niet alleen van de klant aan wie ze in eerste instantie gericht waren, maar vooral van de onderzoeker die geïnteresseerd is in de geschiedenis van een bepaald bedrijf. Binnen de industriële archeologie en techniekgeschiedenis worden briefhoofden al lang gebruikt als onderzoeksmateriaal bij het ontrafelen van de ontwikkelingsgeschiedenis van fabrieksgebouwen.

Waar bedrijfsgebouwen al lang uit het omgevingslandschap zijn verdwenen, geeft een briefhoofd vaak nog de enige informatie over het visuele aspect van een bedrijf in het verleden. Ze maken het ook mogelijk weergevonden relicten te toetsen aan onderzoeksmateriaal. Niet zozeer ligt de betekenis van deze briefhoofden in de esthetische kwaliteit ervan,maar heel bijzonder in de daadwerkelijke documentaire en informatieve waarde. Briefhoofden laten verder toe de evolutie van een fabriekscomplex te reconstrueren.

 

 

Van Maison de Confiance tot Grand Bazar

Historische evolutie winkelpuien

stadsgezicht Veldstraat

 

Guido Deseijn

 

"De veranderingen die in het verleden plaatsvonden brachten kwaliteiten tot stand waarvan nu en in de toekomst kan worden geprofiteerd.

(…) De bestaande stedenbouwkundige structuur heeft gedurende de afgelopen eeuwen nieuwe ontwikkelingen in zich opgenomen.

Het oude stadspatroon (…) blijkt een perfect stramien waarbinnen veranderingen op flexibele wijze kunnen worden opgevangen. Hetzelfde geldt voor de middeleeuwse kern, waar de forse negentiende en vroeg twintigste-eeuwse bebouwing (…) zich op aanvaardbare wijze in de ruimtelijke structuur heeft ingepast.

Ook nu wordt in de binnenstad gebouwd en geïnvesteerd. Nieuwe impulsen stimuleren er een voortgaande en veelzijdige ontwikkeling. Verandering biedt bij uitstek kansen om minpunten te verbeteren en nieuwe kwaliteiten toe te voegen. Hoewel het historische karakter beperkingen oplegt, zijn de sfeer en het veelzijdige aanbod van winkels en hebben plaatsgevonden, vragen echter meer dan ooit om een uiterst zorgvuldige afweging tussen behoud en vernieuwing.

 

 

Bibliografie Industriële Archeologie

& Industrieel Erfgoed in België(XIV)

 

Patrick VIAENE

 

Deze bijdrage vormt de veertiende aflevering van de reeks Bibliografie industriële archeologie & industrieel erfgoed in België. De afleveringen 1 tot en met 13 vindt men in de TIC-delen 35, 39, 44, 47, 52, 56, 59, 63, 67, 71, 80, 84 en 88.

In dit veertiende bibliografische vervolgdeel, waarvan de redactie op 1 augustus 2005 werd afgesloten, werden traditiegetrouw naast recente titels ook een aantal oudere, niet eerder vermelde bijdragen opgenomen.

Wat de gevolgde methode betreft werden de stelregels, geformuleerd in de eerste edities, verder gevolgd. De nummering van de titels loopt gewoon door. We beginnen dus deel XIV met nummer 4522 en eindigen met nummer 4771 (249 titels).

Belangrijk nieuws is dat dit jaar gestart werd met de digitale ontsluiting (www.viat.be) van deze sinds het begin van de jaren 1990 lopende bibliografische reeks, waardoor eerlangs de inhoud van alle verschenen afleveringen via digitale weg raadpleegbaar zal zijn. Intussen zijn via de website www.viat.be reeds bibliografische opzoekingen mogelijk.

We herhalen traditiegetrouw dat de redactie al uw, suggesties en aanvullingen ten zeerste op prijs stelt. We hopen echt dat deze bibliografie een nuttig instrument zal zijn bij uw zoektocht naar industrieel archeologische literatuur.

 

TIC, Tijdschrift voor Industriële Cultuur, deel 92 

nummer 4-  2005,  Cahier 36 in kleurenmap

Rijk geïllustreerd!

 

giftic.gif (10244 bytes)

 

We danken hierbij heel speciaal nog eens onze sponsor, 

NV Geers Offset NV, zonder wiens steun deze fraaie uitgave niet mogelijk was geweest.

 

Nieuwsgierig?

Binnenkort in UW brievenbus!

 

 












08:45 Gepost door VIATvzw | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

04-07-05

TIC 91 deel 3 2005

Aan tafel!

Philippe Cauderlier,

een meesterkok uit Gent

 

Yves Segers & Sabine De Groote

Tekstboek bij de gelijknamige tentoonstelling 

in MIAT, Minnemeers 9, 9000 Gent

van 18 juni 2005 tot en met 9 januari 2006

Wanneer Philippe Edouard Cauderlier in 1812 wordt geboren  in Antwerpen staat hij aan  begin van een geheel nieuwe tijd. Historici noemen dit tijdsgewricht de "Nieuwste Tijd". Het jonge België borrelt en bruist, suddert en raakt gaandeweg op kooktemperatuur.

Stoommachines en treinen, koningen en femmes fatales, burgermannen en keukenmeiden, cuisinières, Mechelse Koekoeks en de vroege koekjesindustrie zijn onder meer deingrediënten. In Gent zorgen suikerraffinage en katoenproductie voor toenemende welvaart bij de burgerij. En die spreekt Frans, of wat dacht je.

 

Vanaf de jaren 1840 staat in Gent de traiteur (of "tafelhouder") Cauderlier aan zijn fornuis.

Cauderlier is een bekwame kok, naar alle waarschijnlijkheid opgeleid in Frankrijk, én een goede zakenman. Zoals elke goede ondernemer speelt hij creatief in op die bruisende, kokende ontwikkelingen. In zijn delicatessenzaak "Au pâté roulant", eerst in de Sint-Jansstraat later in de Veldstraat, verkoopt hij allerlei lekkers. Hij kook tevens op locatie, wat hij met plezier doet in opdracht van vooraanstaande Gentse families, verenigingen en het stadsbestuur (o.a. in het kader van de koninklijke bezoeken in 1849 en 1853).

 

Wanneer Cauderlier einde jaren 1850 gaat rentenieren, een goede kok verdient dan blijkbaar goed zijn brood, start hij een tweede carrière als culinair auteur. Tussen 1861 en 1882 publiceert hij 9 kookboeken waarvan "Het Spaarzaam Keukenboek" en de Franse versie "L’Economie Culinaire" op minstens 250.000 exemplaren worden verspreid, wereldwijd en tot ver in de 20ste eeuw. Cauderlier zelf ziet een kookboek als een uitstekende vorm van literatuur. Immers: "Een kookboek wordt overal gelezen, het streelt de smaak van de lezer en wekt tot drie maal daags zijn interesse".

 

Cauderlier speelt handig in op de opkomst van de nieuwe burgerklasse met haar eigen behoeften en gaandeweg haar eigen keukencultuur. De burgerkeuken moet simpel zijn weet hij. Eenvoudiger alvast dan de aristocratische keuken van zijn voorgangers en gekende Franse chef-koks. Immers, de burgerij is welstellend maar niet gek. Hun geld zit niet in erfelijk grondbezit maar moet verdiend worden. En "leren goede sier te maken met zo weinig mogelijk geld" is een schone deugd. Dus geen dure en ingewikkelde "pièces montées" zoals bij de oude Franse koks, Carème en co. De nieuwe burger heeft in de kelder immers geen batterij chefs, rôtiseurs en kokshulpjes. Hoogstens een keukenmeid. En als het moet steekt de vrouw des huizes zelf een handje toe.

Deze hang naar meer eenvoud zit ook nog in andere dingen. "Gebruik bij voorkeur de producten van het seizoen en van het eigen land". Spruiten, witloof, kiekens.

Gebruik verse waar. Gebruik eerlijke grondstoffen zonder vervalsing (ook toen was voedselveiligheid een issue). En maak er geen te complexe dingen mee. Laat de dingen naar zichzelf smaken.

Cauderlier verbindt aan de producten van eigen bodem ook een openheid voor streekeigen gerechten. Eén van zijn verdiensten is dat hij de iconen van de Belgische keuken op schrift zet. Gentse Waterzooi en dito kool, pens en schapentongen op zijn Luiks, "Pain de Bruxelles", Paling in ’t groen, Vlaamse bouilli, Vlaamse karbonaden, Vlaamse frikadellen en patatten op zijn Vlaams, in communautair evenwicht gehouden door de "fricassée de porc à la Wallonne".

 

Dit alles wil niet zeggen dat Cauderlier de Franse culinaire traditie of de klassiekers uit de internationale keuken ontkent. Daarvoor is hij teveel kok. En het zou wereldvreemd zijn in een zich toen al mondialiserende wereld. Zo is er ook bijvoorbeeld de opkomende internationale voedingsnijverheid. Cauderlier is een fan van Engelse koekjes en van het wonderproduct Maïzena. Industriële voorlopers van onze eigen voedingsnijverheid die rond 1880-1890 start met Delacre, Côte d’Or, Remy en Marie Thumas. Want al zingt Cauderlier de lofvan verse waar. Efficiëntie in de keuken is ook al een streven van die tijd…

Maar laten we eerlijk wezen. Jaloers is Cauderlier niet op zijn kennis, opgebouwd in zijn 30-jarige praktijk. Integendeel. Zelf een complete autodidact - hij heeft amper 2 maanden avondschool gelopen - gelooft hij rotsvast in kennis, wetenschap en onderwijs. Deze motivatie, anderen leren koken, ligt ongetwijfeld mee aan de basis van zijn succesvol schrijverschap.

Welke auteur uit die tijd kan immers zeggen dat hij enkele honderdduizenden boeken heeft verkocht, tot 40 jaar na zijn dood?

 

Wij hopen dat de tentoonstelling Aan tafel! Philippe Cauderlier, een meesterkok uit Gent eenzelfde onthaal te beurt mag vallen. De vele invalshoeken zorgen voor elk wat wils. Hoe onze voorouders aten, feest vierden en kookten, zonder de hedendaagse toestellen.

Met zin voor inventiviteit en creativiteit, ontdekt de bezoeker aan de hand van menukaarten, receptenschriftjes, talrijke illustraties en keukensnufjes uit de tijd van toen. Bladerend in de kookboeken van Cauderlier en andere gerenommeerde koks, proeft men van exquise recepten uit lang vervlogen tijden. Aan de hand van zijn carrière biedt de tentoonstelling een blik op de wereld van de Gentse en Vlaamse eetcultuur tijdens de 19de en vroege 20ste eeuw.

We hopen dat u er plezier aan zal beleven. Aan de tentoonstelling én de diverse acties in de Gentse Horeca. 

Cauderlier heeft het verdiend.

 

De tentoonstelling Aan tafel! Philippe Cauderlier, een meesterkok uit Gent is een organisatie van het MIAT Gent, in samenwerking met het Centrum Agrarische Geschiedenis, Leuven.

Het verhaal van Cauderlier, met tal van mooie illustraties, is ook te lezen op www.hetvirtueleland.be

 

giftic.gif (10244 bytes)

 

We danken hierbij heel speciaal nog eens onze sponsor, 

NV Geers Offset NV, zonder wiens steun deze fraaie uitgave niet mogelijk was geweest.

 

Nieuwsgierig?

Binnenkort in UW brievenbus!







11:52 Gepost door VIATvzw | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

20-06-05

TIC 90 nummer 1 2005

TIC 90 nummer 2 2005

Van ambachtelijk bier en internationaal textiel tot industrieel brood in de Gentse Waaistraat


INHOUD:
Voorgeschiedenis (13de -14de eeuw)
De ene brouwerij naast de andere (eind 14de- begin 18de eeuw)
Via de Waaistraat naar Cadiz of … Kaprijke (eind 16de - eind 18de eeuw).
Industriële suiker, textiel, brood en broodoorlog (eind 18de - begin 20ste eeuw).
Met de bouwhistoriek van de huizen in het afzonderlijke katern.
En een bijlage  met reconstructie Waaistraat anno 1732 en 1892 aan de hand van 18de- en 19de-eeuwse gevelplannen!

De Gentse Waaistraat is een kort straatje dat de alom bekende Vrijdagmarkt verbindt met het Edward Anseeleplein. In deze bijdrage wordt aan de hand van onderzoek naar lokalisatie van huizen, bezittingen en handelsactiviteiten van de bewoners een beeld opgehangen van een over vijf eeuwen heen verrassend sterk evoluerende bedrijvigheid. Het onderzoek concentreerde zich op de westelijke straatzijde, tussen de Leie en de straat, waar de diepe percelen en de toegang tot het rivierwater, al vroeg bepalend werden voor handel en wandel van de bewoners.

In het begin van de 15de eeuw waren daar de ene brouwerij naast de andere gevestigd. In de jaren 1600 en 1700 domineerde de grootschalige textielhandel. Vooral de uitvoer van lijnwaad naar Spanje scheerde hoge toppen. Aan het einde van de 18de eeuw en in de eerste helft van de 19de werd het beeld meer gevarieerd: de wijnhandel werd belangrijk, potten, pijpen en bois d’acajoue meubelen werden geproduceerd, granen, lijnzaadkoeken, lood, tin, tabak werden verkocht aan stedelingen en marktbezoekers.

In 1768 begon men er met de raffinage van rietsuiker. Deze eerste industriële activiteit werd rond 1830 grootschalig aangepakt in een kolossaal nieuw bedrijfsgebouw. Bijna even imposante bebouwing kwam er in de tweede helft van de 19de eeuw voor een katoenspinnerij en een lijnwaadweverij. Daartussen vestigde zich een private industriële broodbakkerij. Deze werd tegen het einde van de eeuw overgenomen door de merkwaardige "neutrale" coöperatieve Volksbelang. Deze industriële broodbakkerij en distributieonderneming, de bakkerij van de bazen, werd opgericht door een katholieke journalist met het geld van een liberale havenmagnaat om het succes van de socialistische coöperatieve Vooruit te counteren. De Waaistraat werd de draaischijf van een felle ‘broodoorlog’. Dit was een van de hoogtepunten van de arbeidersstrijd, die te Gent zeer sterk beïnvloed werd door de coöperatieve beweging.

Het Volksbelang palmde bijna de volledige site in en werd beeldbepalend. Het altijd al relatief grootschalige karakter van de bebouwing werd nog meer uitgesproken en stond in sterk contrast met de andere straatzijde waar de kleine oude bebouwing opvallend goed bewaard bleef. Na W.O. II verloederde de buurt. Vanaf 1990 verrees er moderne kantoor- en hotelarchitectuur. Als getuigen van het verleden bleven gelukkig een wellicht 13de-eeuwse kelder en zijmuur bewaard, samen met één enkel redelijk intact gebleven overblijfsel van 17de-eeuwse wooncultuur en twee imposante bedrijfsgebouwen uit de 19de eeuw. Ze worden als herkenningsteken genomen voor de drie in dit artikel beschreven perioden die gedomineerd werden door eerst brouwerijen, dan grootscheepse handel en daarna industriële productie.

Auteur Luc Devriese is bij ons niet aan zijn proefstuk toe!
En met succes.
Deze aflevering van TIC belooft daarom weer heel spannend en leerrijk te worden....

 

nummer 2-  2005,  Cahier 34 (twee delen) in kleurenmap en met bijlage.

Rijk geïllustreerd!

 

giftic.gif (10244 bytes)

 

We danken hierbij heel speciaal nog eens onze sponsor, 

NV Geers Offset NV, zonder wiens steun deze fraaie uitgave niet mogelijk was geweest.

 

Nieuwsgierig?

Binnenkort in UW brievenbus!  











09:47 Gepost door VIATvzw | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

08-03-05

TIC 89 rolt van de persen!

TIC 

deel 89

nummer 1 2005

cahier 33

Blauwselfabriek

Sint-Amandsberg

bedrijfsgeschiedenis

 

De NV Bleu D’Outremer 

... een begrip in het Gentse

 

map89.jpg (110840 bytes)

Een proeve van bedrijfsgeschiedenis

Roland Baudu

oud werknemer als technisch bediende

 

De vermoedelijke aanzet

gentbruggebrug2.jpg (101489 bytes)

Het verwerven van de gronden op het braakliggend terrein aan de Schelde - ter hoogte van de Gentbrugge-brug - en de aanvang van de werken voor de oprichting van burelen en fabricatieruimten, is vermoedelijk te situeren tussen de jaren 1903 en 1905.

Het is gissen naar het feit of Henri Limauge - in hoofde oprichter van het bedrijf - als eigenaar van de gronden mag beschouwd worden. De inschrijvingen vanaf september 1906 voor belegging van gelden in het bedrijf, doen dit toch vermoeden. Wie met het kapitaal instond voor het oprichten van de gebouwen is al evenzeer een raadsel. Wel staat vast dat het handelsregisternummer slechts toegekend werd in 1906, met Gustave Schoofs als technisch directeur en August Van der Smissen als commerciëel directeur.

 

glans.jpg (86628 bytes)

productenwitzwart.jpg (81402 bytes)

vrachtwagen.jpg (53891 bytes)

Om over te gaan tot fabricatie moeten personen aanwezig geweest zijn die de 'knowhow’ bezaten om een scheikundig proces om te zetten in een product met hoge kleurkrachtige waarde. Het beheersen van het commerciële in deze tak van chemische producties in die periode - met de ambitie om op wereldvlak door te breken - moet een uitdaging geweest zijn voor het personeel, elk met eigen bevoegdheden.

Henri Limauge, van oorsprong Franstalig, moet wel een diplomatische persoonlijkheid geweest zijn om de vakkundige Nederlandstalige bedienden van toen ertoe te kunnen bewegen zijn standpunten te aanvaarden.

We moeten er wel van uitgaan dat de beheersing van de Franse taal in die periode een ‘must’ was voor iemand die het geluk had school gelopen te hebben en ‘vooruit wilde komen’.

Limauge zal zich wel hebben laten omringen door mensen die zijn omgangstaal kenden en tezelfdertijd taalvaardig waren in het Engels, Duits, Spaans, Portugees...

Het bedrijf behoorde tot de weinige ter wereld die de zeer delicate productie van het ultramarijn beheersten. Deze Gentse ‘blauwmaker’ kwam als derde op de wereldranglijst voor het aanmaken van de fijnste kwaliteit van dit quasi enige niet giftige en meest milieuvriendelijke onder de blauwpigmenten.

Dit zou van groot belang blijken te zijn wanneer later het pigment gebruikt wordt bij de kleuring van kunststofverpakkingen in de voedingsnijverheid, de wereld rond.

De laatste getuige: het directiegebouw aan de Nijverheidskaai Eind jaren 1980 bood het opgedeeld complex van Bleu d’Outremer onderdak aan 2 kleinere bedrijven: de Union Gantoise C.C.T (een lederbewerkingsbedrijf), en een afdeling van de N.V. Lys-Liève.

 

EEN BELANGRIJKE GETUIGENIS:

HET SCHILDERIJ BLEU D’OUTREMER

bleu02.jpg (90341 bytes)

Dit merkwaardig stukje schilderwerk van de hand van E. De Martelaere is vermoedelijk nog vóór de Eerste Wereldoorlog geschilderd in olieverf op doek (2,50mx1,60m). Het werk is eigendom van het MIAT en maakt nu deel uit van de museumverzameling.

Op zijn geheel is het een iconografisch uniek werk dat van groot belang is in het kader van historisch vastgelegde toestanden betreffende plaatselijke industrie. De Gentse kunstschilder De Martelaere was gespecialiseerd in sociaal-realistische thema’s, en auteur van talrijke grootformaat werken met de industrie en sociale strijd tot onderwerp.

Gezien de staat van het doek, werd in 2003 besloten tot restauratie over te gaan.

Het geheel, bekeken vanaf de overzijde van de Nijverheidskaai aan de Schelde, geeft een panoramische indruk van het complex, begin twintigste eeuw.

 

 

UPSTAIRS - DOWNSTAIRS

De stichting van S. A. Bleu d’Outremer en het Régistre des Actionaires en Nom

register.jpg (117269 bytes)

Wat kan ons het Register van de Aandeelhouders (1906-1920) van de naamloze vennootschap Société Anonyme pour la Fabrication du Bleu d’Outremer de et à Mont Saint Amand-lez-Gand 1 bijbrengen over de bedrijfsgeschiedenis ervan - en in het bijzonder over de aanbrengers van het start- en werkingskapitaal, hoofdzakelijk gedomicilieerd te Brussel of in Wallonië?

De in het TIC door Guido Deseijn samengevatte inhoud van dit register kan zowel voor scriptofielen als voor genealogen van belang zijn!

 

TIC, Tijdschrift voor Industriële Cultuur, deel 89 

nummer 1-  2005,  Cahier 33 in kleurenmap en met kleurenbijlage.

Rijk geïllustreerd!

 

giftic.gif (10244 bytes)

 

We danken hierbij heel speciaal nog eens onze sponsor, 

NV Geers Offset NV, zonder wiens steun deze fraaie uitgave niet mogelijk was geweest.

 

Nieuwsgierig?

Binnenkort in UW brievenbus!  


12:08 Gepost door VIATvzw | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

23-11-04

TICCIH Textiel status questiones

TICCIH

Textiel status questiones

TICCIH is de wereldorganisatie voor industrieel erfgoed en speciaal adviseur bij  Icomos op het vlak van industrieel erfgoed.

 

Nizhny Tagil Charter voor het Industrieel Erfgoed

Dit charter is door TICCIH opgesteld en wordt aan Icomos ter ratificatie voorgesteld en aan de UNESCO voor de uiteindelijke goedkeuring.

Eusebi Casanelles

Eugene Logunov

De vroegste periodes in de menselijke geschiedenis worden door archeologisch bewijs van fundamentele ver­anderingen in de door de mens vervaardigde voorwerpen bepaald.

Het belang dit bewijs van evolutie te bewaren en te bestuderen wordt tegenwoordig universeel onderkend. In Europa leidden van in de Middeleeuwen tot het einde van de 18de eeuw de innovaties in het gebruik van energie en in handel tot veranderingen, even groot als deze gebeurd tussen het Neolithisch tijdperk en de Bronstijd - mét ontwikkelingen in de sociale, technische en economische sectoren - en snel en diepgaand genoeg om het een revolutie te noemen.

Met die Industriële Revolutie begon een historisch fenomeen dat een groot deel van de mensheid trof naast alle andere vormen van leven op onze planeet, en dat blijft doen tot op de dag van vandaag.

Het materieel bewijs van deze diepgaande veranderingen is van universele menselijke waarde en het belang van de studie en conservatie ervan moet goed begrepen en erkend worden.

De afgevaardigden bij het TICCIH Congres 2003 in Rusland willen daarom benadrukken dat de gebouwen en structuren gebouwd voor industriële activiteiten, de processen en werktuigen daarvoor gebruikt, en de steden en landschappen waarin zij zijn gesitueerd, samen met alle andere tastbare en ontastbare componenten, van fundamenteel belang zijn. Zij moeten worden bestudeerd, hun geschiedenis onderricht, hun betekenis toegelicht en voor iedereen duidelijk worden gemaakt. De belangrijkste en meest karakteristieke voorbeelden zouden moeten geïdentificeerd worden, beschermd en bewaard in de geest van het Charter van  Venetië [1], voor het nut en voordeel van vandaag en van de toekomst.

 

De Internationale Context voor Textielsites

door Mark Watson

Dit  is een schets ter beoordeling en aanvulling - gecompileerd door Mark Watson voor de Gespecialiseerde Textielsectie van het Internationaal Comité voor de Conservatie van het Industrieel Erfgoed (TICCIH).

De tekst is besproken op meetings van de Londense sectie in 2000, in Barcelona, Spanje in 2001 en in 2003 in Euskirchen, Duitsland.

In 2001 werd een comité aangesteld met als leden: professor Claudio Zanier, Detlef Stender, Artur Zbiegieni, Carin Reinders, Dr Gracia Dorel-Ferrer, Dr Keith Falconer, Dr José Manuel Lopes Cordeiro, Olga Deligianni-Traganou, Mark Watson en James Douet (secretaris).

Dit essay is te bekijken op het TICCIH website en werd voorgesteld aan de Associatie voor Industrieel Erfgoed Conferentie 2002.

Deze lijst werd opgesteld onder auspiciën van TICCIH (The International Committee for the Conservation of the Industrial Heritage) als één van de ‘indu­strie-door-industrie’, lijsten ter gebruik van ICOMOS om het Wereld Erfgoed Comité richtlijnen te bezorgen teneinde te kunnen bepalen welk site als internationaal als van groot belang kan beschouwd worden.

Het is geen som van voorstellen voor ieder individueel land, noch doet het formele nominaties voor opname op de Wereld Erfgoedlijst: dit is de zaak van de openbare besturen van elk land afzonderlijk. Het is vooral bedoeld om het Wereld Erfgoed Comité te helpen bij het nemen van beslissingen in een poging tot een consensus te komen tussen de opinies van de verschillende experts over wat significante sites, monumenten en landschappen zouden kunnen zijn.

En het maakt deel uit van de globale strategie voor types van internationale monumenten die op het ogenblik als ondervertegenwoordigd worden beschouwd op de Wereld Erfgoedlijst.

 

Reflecties op selectieve criteria voor textielfabrieken met werelderfgoed-waarde

door Sophia Labadi

In 1994 werden vergelijkende studies geïntroduceerd als onderdeel van het programma voor algemene strategie om een meer uitgebalanceerde Werelderfgoedlijst te bekomen. Deze studies dienen als materiële achtergrond en hebben geen status binnen het Werelderfgoed Conventiesysteem.

Ze zijn ter beschikking van de openbare besturen die er naar kunnen verwijzen bij de nominatie van industriële sites voor de status van Werelderfgoed. Ze worden gebruikt door ICOMOS bij hun evaluatie en door het Wereld Erfgoed Comité bij hun beslissingen

Als conclusie mag men stellen dat de geografische onbalans van de Werelderfgoedlijst - met meer dan 50% sites gelokaliseerd in Europa - aangepakt moet worden. Deze vergelijkende studie kan een werkinstrument zijn om een geografisch evenwicht tussen de sites onderling in de toekomst te verzekeren.

 

Als conclusie mag men stellen dat de geografische onbalans van de Werelderfgoedlijst - met meer dan 50% sites gelokaliseerd in Europa - aangepakt moet worden. Deze vergelijkende studie kan een werkinstrument zijn om een geografisch evenwicht tussen de sites onderling in de toekomst te verzekeren.

 

En natuurlijk de:

Bibliografie Industriële Archeologie & Industrieel Erfgoed in België (XIII)

Patrick VIiaene

Deze bijdrage vormt de dertiende aflevering van de reeks’Bibliografie industriële archeologie & industrieel erfgoed in België’. De afleveringen 1 tot en met 12 vindt men in de TIC-delen nrs. 35, 39, 44, 47, 52, 56, 63, 67, 71, 80 en 84.

In dit dertiende bibliografisch vervolgdeel, waarvan de redactie op 15 augustus 2004 werd afgesloten, werden traditiegetrouw naast recente titels ook een aantal oudere, niet eerder vermelde bijdragen opgenomen. In dit vervolgdeel werd bovendien extra aandacht gegeven aan de vermelding van een relatief groot aantal publicaties in rubriek ’O’ (Selectie internationale werken).

 

TIC, Tijdschrift voor Industriële Cultuur, deel 88

nummer 4 -  2004,  in kleurenmap.

Rijk geïllustreerd! 



13:09 Gepost door VIATvzw | Permalink | Commentaren (2) |  Facebook |

27-09-04

100 jaar Elektrische tram in Gent

100 jaar elektrische tram in Gent                            

Freddy Coussens 

 

Toen in 1899 de paardentrams vervangen werden door accumulatorentrams, zag de Gentenaar voor het eerst rijtuigen die zich zonder zichtbare krachtbron voortbewogen, op straat midden in zijn leefwereld. Dat moet toen een ware omwenteling geweest zijn!

De trams waren bij duister elektrisch verlicht, en zoiets haalde toen de kranten.

De accutram was geen lang leven beschoren, omdat de batterijen té vlug ontlaadden. Binnenin klaagde men over gaslucht en zuurvlekken op de klederen.

Uiteindelijk, na lange tijden van discussies, gaf het Stadsbestuur in 1904 zijn akkoord om langs de sporen bovenleidingpalen en elektrische bedrading aan te brengen.

De trams werden omgebouwd en kregen een stroomafnemer, de rijsnelheid werd hoger en de dienst vooral betrouwbaar, en dan pas in feite bloeide de tramtoekomst open…

Vele generaties mensen hebben de tram nodig gehad, vele generaties vaklui van gelijk welk niveau hebben de trams onderhouden, beter gemaakt.

Met de komst van de auto werd de tramtoekomst even onzeker, maar nu kunnen we stellen dat de tram het dagelijkse leven wéér leefbaarder maakt.

 

Er suizen nu vrijwel geruisloze, vijfdelige lagevloertrams met grote vervoerscapaciteit door de verkeersarm gemaakte Arteveldestad.

Het aantal reizigers groeit, spectaculair…

Dat is onmiskenbaar het resultaat van een diep doorleefde geschiedenis van “100 jaar elektrische tram”, die u, lezer, aangeboden wordt in deze kroniek.

 

TIC, Tijdschrift voor Industriële Cultuur, deel 87

nummer 3 -  2004,  in kleurenmap.

Rijk geïllustreerd! 




15:26 Gepost door VIATvzw | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

15-06-04

De wereldpremière van een Kostuumboek

TIC 86 nummer 2 2004

De Wereldpremière van een Kostuumboek


drs. Marian Conrads, kunsthistoricus

Het kostuumboek Theatre... is om verschillende redenen bijzonder te noemen in zijn eigen tijd, maar ook in vergelijking met latere kostuumboeken.

Het begint met een afbeelding van de opperpriester Aaron die het Oude Testament vertegenwoordigt als de enige waarvan de kleding uitgebreid in de bijbel beschreven is.  Een voorstelling van een naakte man met lap en schaar geeft tot slot de menselijke ijdelheid weer en twee emblemata dragen de lezer op om een goede, niet hoogmoedige levenswijze te volgen..

Lucas d’Heere heeft zowel afbeeldingen van kleding uit de Oudheid als de Middeleeuwen weergegeven. Hoewel de belangstelling voor de Oudheid in zijn tijd algemeen was, was de interesse voor de Middeleeuwen veel minder. Er was wel een grote belangstelling voor de eigen geschiedenis en vreemde landen.

De afbeeldingen van kleding uit Engeland zijn opmerkelijk, zeker die van de hoogwaardigheidsbekleders uit Londen, die we in geen enkel kostuumboek uit zijn tijd tegenkomen.

Het is opmerkelijk dat hij als calvinist de katholieke geestelijkheid heeft afgebeeld. Deze moet hij na zijn terugkeer in 1577 hebben getekend, toen hij waarschijnlijk ook het hatelijke ‘papisten’ in zijn Britsche Eilanden heeft vervangen.

Bovendien komen er in dit manuscript afbeeldingen voor van figuren, die hij naar de werkelijkheid getekend moet hebben, hoewel hij het grootste gedeelte naar voorbeelden heeft vervaardigd.

De afbeeldingen zijn in kleur zodat die een indruk geven van de kleuren van de kleding uit de tijd van Lucas d’Heere.

D’Heere heeft zowel de Britsche Eilanden... als het Theatre... uit Engeland mee naar Gent genomen in 1577. Voor beide boeken moet hij het idee gehad hebben om ze te publiceren. Het kan zijn dat zijn drukke werkzaamheden en zijn vroege dood  er toe hebben geleid dat dit niet gebeurd is.

Theatre... zou als kostuumboek zeker een mooi voorbeeldenboek geweest zijn voor kunstenaars en de rederijkerskamer waarvan d’Heere lid was. Als zijn boek ooit zou zijn uitgegeven was dit het eerste kostuumboek geweest, dat aandacht schenkt aan de Oudheid en aan de Middeleeuwen.

TIC, Tijdschrift voor Industriële Cultuur, deel 86

nummer 2 -  2004,  in kleurenmap.

Rijk geïllustreerd!

 

Meer weten? Surfen naar http://users.skynet.be/VIATvzw/ 




14:25 Gepost door VIATvzw | Permalink | Commentaren (2) |  Facebook |

24-02-04

TIC 85: Vliegende sigaren, Zeppelins & Blimps

Vliegende sigaren,

Zeppelins & Blimps…

 

Maria De Waele

MIAT & Hogeschool Gent

 

Zeppelins in het MIAT …

 

Van 23 april 2004 tot 20 februari 2005 vindt in het MIAT een tentoonstelling plaats, gewijd aan luchtschepen en zeppelins.

Dit deel van TIC probeert hier een aanvulling bij te leveren.

 

Van bij hun eerste verschijning in het luchtruim in 1900 hebben deze luchtreuzen veel mensen gefascineerd. Het is voor ons, levend in de 21ste eeuw, bijzonder moeilijk om te begrijpen welke overweldigende indruk zeppelins maakten op het grote publiek. Vliegen is vandaag een alledaagse bezigheid geworden.

Een eeuw geleden, tijdens de pioniersjaren van de luchtvaart, was vliegen nieuw en spectaculair.

Op 17 december 2003 was het een eeuw geleden dat de legendarische broers Wilbur en Orville Wright de eerste korte vluchten maakten in een motorvliegtuigje, de Flyer 1.

De zeppelin ging zelfs het vliegtuig vooraf, want op 2 juli 1900 steeg LZ 1 op.

De hoogdagen van de zeppelin vielen in de jaren 1920. Het zag er toen zelfs even naar uit dat zeppelins een aanzienlijk deel van het passagiersvervoer op lange afstand voor hun rekening zouden nemen. Na enkele spectaculaire ongevallen, waarbij heel wat slachtoffers vielen, daalde het enthousiasme voor de zeppelins aanzienlijk. Het spectaculaire ongeval met de Hindenburg op 6 mei 1937 in het Amerikaanse Lakehurst betekende het einde van de passagiersvluchten met zeppelins.

Alhoewel ook Groot-Brittannië, Italië en de Verenigde Staten met wisselend succes luchtschepen bouwden en zelfs de voormalige USSR plannen in die richting had, was de zeppelin voornamelijk een Duitse aangelegenheid.

Anderzijds is de zeppelin nooit een ‘neutraal’ luchtschip geweest.

Het verhaal van de zeppelin is onvermijdelijk een politiek verhaal, een verhaal over oorlog, over propaganda en over nationaal prestige. Het luchtschip werd en wordt geassocieerd met de bewogen Duitse geschiedenis in de eerste helft van de 20ste eeuw. Deze geschiedenis begint in het zelfbewuste Wilhelmische Duitsland van voor de Eerste Wereldoorlog en eindigt aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog in Nazi-Duitsland. Sommige idyllische afbeeldingen en postkaarten, die deze bijdrage illustreren, zijn tegelijk revelerend en misleidend. Zij bevestigen het belang van de zeppelin als propagandaluchtschip voor Duitsland, maar verhullen de politieke en militaire betekenis van het tuig.

 

… en in Sint-Amandsberg

België maakte al van in het begin van de Eerste Wereldoorlog kennis met de zeppelin.

De bombardementen van Luik en Antwerpen confronteerden de burgerbevolking voor het eerst met de verschrikkingen van een ‘moderne’ oorlogsvoering.

In de nacht van 6 op 7 juni 1915 werden de Gentenaars, en de inwoners van de toenmalige randgemeente Sint-Amandsberg in het bijzonder, van dichtbij geconfronteerd met het luchtschip. De Britse piloot Reginald Warneford slaagde er immers in om een Duitse luchtreus fataal te treffen. Het schip stortte brandend neer in het centrum van Sint-Amandsberg. Alhoewel het neerhalen van de zeppelin een fait divers was in de bredere context van de oorlog, maakte dit incident een grote indruk op de inwoners van Sint-Amandsberg en van Gent.

TIC, Tijdschrift voor Industriële Cultuur, deel 85

nummer 1 -  2004, 24 en 8 bladzijden kleurenbijlage, in kleurenmap.

Rijk geïllustreerd!

 

Meer weten? Surfen naar http://users.skynet.be/VIATvzw/ !!!









10:58 Gepost door VIATvzw | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

01-12-03

TIC 84: Rondom de Reep. Ferdinand Lousbergs Imperium

Rondom de Reep:

Ferdinand Lousbergs en zijn katoenfabriek

Guido Deseijn,

architect & stedenbouwkundige, adjunct van de directie Stad Gent, wetenschappelijk medewerker MIAT, Gent

De oorsprong van het katoenimperium van Ferdinand Lousbergs aan de Reep is merkwaardigerwijze te zoeken in de Molenaarsstraat, aan de andere zijde van de stad Gent.

Uit 1795 dateert aldaar de eerste vermelding van de katoendrukkerij van chitzen, catoenen & neus­doeken Smeulders & Lousbergs.

Zij waren de eersten die binnen Gent katoen bedrukten met kopere plaeten.

Een bedrijf dat Lousbergs senior nadien zelf volledig zou overnemen, als stichter van het eerste geïntegreerd Gentse katoenbedrijf.

 

Ferdinand Lousbergs (1799-1859) zou zijn eerste katoen­­­­spinnerij in 1823 oprichten binnen het voormalig klooster der capuccinessen aan de Reep.

De capucinessen, ook Grijze Zusters genoemd, vestigden zich in 1699 aan de Reep. Ze breidden er het voormalige klooster van de spinnessen of linnenspinsters uit, een kloostergemeenschap zonder vaste kloosterregel. In 1714 bouwden ze een nieuwe kapel aan de Seminariestraat, toen nog Wijngaardstraat genoemd.

Onder Jozef II werd het klooster een eerste maal opgeheven en in 1784 verkocht aan een zekere Van Poppelen om er een stoffenfabriek in onder te brengen.

In 1790 in eer hersteld, keerden de kloosterzusters terug en res­taureerden het pand.

In 1796 echter werden ze opnieuw verjaagd door de Franse bezetter die de gebouwen vernielde. Deze werden in 1813 door architect Van de Cappelle heropgetrokken als fabriek voor koopman Gomard Verhegghen. Van dat industrieel complex was de ingangspoort met Mercuriussymbolen hét pronkstuk.

Ferdinand Lousbergs verwierf dit pand in 1823.

Hij annexeerde ook de aanpalende tabaksfabriek en breidde zijn eerste spinnerij uit tot het gebouw dat er nu nog grotendeels staat (zij het dan in sterk gerestaureerde vorm, als onderdeel van een onderwijsinstelling). Ontwerper van de nieuwe fabriek was architect Ghuislain.

De centrale toegangspoort met de Mercurius-handelaarattributen onder het driehoekig fronton bleef tot op de dag van vandaag als blikvanger bewaard.

 

Met een bijdrage over de modernistische landschapstuin van het Sint-Bavo-instituut door Canneel-Claes (1935) en de stamboom van de Lousbergs!

 

Archeologisch onderzoek van de Lousbergsfabriek aan de Seminariestraat

Bert Acke,

Projectarcheoloog

Van 9 juli 2003 tot 8 september 2003 vonden er opgravingen plaats in de tuin van de Sint-Bavoschool langsheen de Reep.

Dit onderzoek kaderde in de voorbereidende werkzaamheden voor de realisatie van de parkeergarage Gent-Reep.

De opgravingen werden gerealiseerd door de N.V. Seminpark, in samenwerking met het Stedelijk Parkeerbedrijf, de Zusters van Liefde, het Sint-Bavo-instituut, het aannemersbedrijf N.V. Wyckaert, het Architectenbureau Bernard Van Acker & partners, en de Dienst Stadsarcheologie van de Stad Gent.

Bij het archeologisch vooronderzoek werd onder andere een gedeelte van de funderingen van de voormalige Lousbergs-stoffenfabriek blootgelegd.

De kadastrale gegevens voor het onderzochte perceel zijn: afdeling 4, sectie D, perceel 1065p2.

Het onderzoeksvlak was west-oost georiënteerd, haaks op de Reep en evenwijdig aan de Seminariestraat, en viel uiteen in twee sleuven: sleuf A was 13 meter lang en 3 meter breed, de afmetingen van sleuf B bedroegen 104 bij 3 meter.

Op deze manier werd bijna de gehele lengte van de toekomstige parking bestreken.

 

De opgravingen die in de zomervakantie van 2003 plaatsvonden in de tuin van de Sint-Bavoschool in Gent, hebben voor het eerst een inzicht gegeven in het archeologisch bodemarchief van de wijk Overschelde.

Heel wat oudere sporen waren op het terrein echter vernietigd door de 19de-eeuwse Lousbergsfabriek, een textielbedrijf waarvan de massieve funderingsresten werden teruggevonden in de ondergrond. Deze funderingen maakten het mogelijk om zich ter plaatse een beeld te vormen van dit katoenbedrijf. In de westelijke hoek van het terrein bevonden zich de lage gebouwen van de weverij; meer naar het oosten lagen de spinnerijen en de stookruimtes.

 

Resten van de omgrachting van het middeleeuwse Hof ter Wyngaarde werden bij dit archeologisch onderzoek niet aangesneden. Het vele materiaal gevonden bij het onderzoek moet nog worden bestudeerd, zodat het waarschijnlijk is dat de bovenvermelde gegevens in de toekomst kunnen worden aangepast of verfijnd.

Ook de archeologische resten die bij het uiteindelijke uitgraven van de parking ongetwijfeld zullen worden blootgelegd, vooral in het westelijke deel, zullen een nieuw licht werpen op de occupatie­geschie­denis van dit stukje Gent.

 

Zoals de traditie het wil zit ook in dit laatste nummer van 2003 de Bibliografie Industriële Archeologie & Industrieel Erfgoed in België, nummer 12 al in de reeks!

Patrick Viaene, docent Hogeschool-Gent, Departement Architectuur, Audiovisuele en Beeldende Kunsten en beheerder van SIWE (Stichting Industrieel en Wetenschappelijk Erfgoed vzw) tekende terug voor dit unieke naslagwerk!

 

TIC, Tijdschrift voor Industriële Cultuur, deel 84, nummer 4 2003, 34 en 16 bladzijden, in kleurenmap.

Rijk geïllustreerd!

 

We danken hierbij heel speciaal nog eens onze sponsor, NV Geers Offset NV, zonder wiens steun deze fraaie uitgave niet mogelijk was geweest.



13:27 Gepost door VIATvzw | Permalink | Commentaren (1) |  Facebook |

09-09-03

TIC 83 "Lekker Dier?! Ze zijn wat we eten"

De vakantie zit erop, en wij gaan weer aan de slag. Eind september rolt een nieuwe aflevering van het Tijdschrift voor Industriële Cultuur, kortweg TIC, van de persen.

Nummer 3 al dit jaar!
Deze keer is het thema gekoppeld aan de tentoonstelling Lekker dier!? Ze zijn wat we eten, doorgaand in het MIAT, Minnemeers 9 te Gent van 10 oktober 2003 tot 18 januari 2004.
 
Hier volgt alvast een voorsmaakje van wat u te wachten staat...

 

Het Groot Vleeshuis: 

een functioneel middeleeuws gebouw

René De Herdt, museumdirecteur MIAT

De ambachtshuizen dateren vaak niet uit de Middeleeuwen

Een aantal ambachtshuizen in de Vlaamse steden gelden als symbool van het middeleeuwse ambachts- en gildenleven. Hun fraaie gevels verwijzen naar die verre Middeleeuwen toen de ambachten het stadsleven in sterke mate bepaalden en de middeleeuwse straten en pleinen deden zinderen van activiteit. .

Het Groot Vleeshuis werd gebouwd in het begin van de 15de eeuw

Er zijn natuurlijk ook gildenhuizen en ambachtshuizen die werkelijk in de Middeleeuwen werden gebouwd. Eén ervan is het fraaie Groot Vleeshuis aan de Groentenmarkt  in Gent.

In de Middeleeuwen waren er in Gent twee vleeshuizen. In die periode wenste de overheid immers streng toe te zien op de verkoop van vlees, dat uitsluitend in de vleeshuizen mocht plaats vinden. Het oudste, mettertijd ook het Groot Vleeshuis genoemd en als dusdanig reeds vermeld in de stadsrekeningen van 1332-33, was gebouwd aan de Leie. Het bestaat nog steeds; doch sinds 1884 wordt er geen vlees meer verkocht.

 

De aristocraten van de middenstand.
Beenhouwers en slagers in Gent (1850 – 1990)

Maria De Waele, wetenschappelijk medewerker MIAT, Gent

Het beroep van beenhouwer is een van de oudste ter wereld. Ook in Gent behoorde de beenhouwersgilde tot de oudste en belangrijkste ambachten van de stad.

De vleeshouwers speelden een onmisbare rol in de voedselbevoorrading van Gent. Zij vormden een zelfbewuste beroepsgroep, die zijn voorrechten jaloers bewaakte.

In de loop van de 14de eeuw verwierf het beroep van vleeshouwer een erfelijk en gesloten statuut, wat voor gevolg had dat het ambacht werd gedomineerd door een handvol families.

 

Na de annexatie van de Zuidelijke Nederlanden door Frankrijk werden de ambachtsgilden afgeschaft. Ook de beenhouwersgilde verdween, en in theorie werd het beroep opengesteld voor iedereen. In de praktijk veranderde er niet zoveel, want de dominerende families overleefden zonder veel moeite het verdwijnen van het Ancien Régime.

 

Met de opheffing van de gilden viel een groot deel van de controle op het slachtproces en de vleesverkoop weg. In de loop van de 19de eeuw ondergingen ook de opvattingen inzake hygiëne en volksgezondheid ernstige veranderingen. Dit betekende dat de overheid, op de eerste plaats de gemeentelijke overheid, haar controle op het slachtproces, het vlees en de vleesverkoop gevoelig versterkte.

De opening van het Gentse slachthuis in 1857 had voor gevolg dat de beenhouwers in een ongemakkelijke verhouding leefden met het stadsbestuur, wat leidde tot herhaaldelijke botsingen. De beenhouwers reage(e)r(d)en zeer wantrouwig op iedere vorm van regelgeving of externe controle, en beschouwden deze inbreuken op de voorrechten, eigen aan hun beroep.

De beroepsorganisaties van de beenhouwers ontpopten zich van in het begin tot onvervalste belangen- en drukkingsgroepen, die de belangen van leden met hand en tand verdedigden. Anderzijds namen de vleeshouwers zelf het niet zo nauw met wetten en reglementen en toonden zij zich bijzonder bedreven in het ritselen en omzeilen van de geldende reglementen.

 

De Gentse beenhouwers lieten - en laten - zich ook kennen als een zeer individualistische beroepsgroep, en de solidariteit met andere zelfstandigen was beperkt.

In tegenstelling tot bijvoorbeeld de bakkers en de kruideniers ondervonden de beenhouwers in het begin van de 20ste eeuw weinig directe concurrentie van de coöperatieven of de leurders. Grootwarenhuizen en winkelketens vormden een veel grotere bedreiging, maar deze concurrenten traden pas voorgoed op de voorgrond in de crisisjaren 1930.

De concurrentie van grootwarenhuizen, super - en hypermarkten en winkelketens nam in de jaren 1950 en 1960 nog aanzienlijk toe, maar het benadrukken van de problemen van de beenhouwers geeft een veel te eenzijdig beeld van hun situatie. Beenhouwersbladen vermelden zelden dat, ten gevolge van het stijgende levensniveau, de slagers na de Tweede Wereldoorlog vele goede jaren kenden. De achteruitgang van het aantal zelfstandige beenhouwers zette zich pas voorgoed door in de loop van de jaren 1980.

 

Het uitroeien van de runderpest in Vlaanderen

(1769-1785)

Regeringsmaatregelen en oppositie ertegen

René De Herdt, museumdirecteur MIAT

Toen de zeer gevreesde runderpest in 1769 de Oostenrijkse Nederlanden binnendrong, werd voor het eerst een grootscheepse, coherente en uiterst gedetailleerde uitroeiingstrategie opgesteld en doorgevoerd. Deze aanpak werd een succes, niet in het minst door de invoering van een vergoedingsregeling voor de geleden verliezen aan de veehouders en door de strenge controles die ingesteld werden. De grondslagen er van - en tot op zekere hoogte ook de uitvoeringsmodaliteiten - blijven tot op de huidige dag geldig.

In het eerste deel van dit artikel worden de maatregelen beschreven en in hun context geduid. In een tweede gedeelte wordt aandacht besteed aan de weerstand die deze volkomen nieuwe politiek opriep in het algemeen en bij de landelijke bevolking in het bijzonder.

 

De geschiedenis van de runderpestbestrijding heeft een bijzondere betekenis in de ontwikkeling van de diergeneeskunde. Het is met deze ziekte, sinds lang verdwenen uit onze streken, dat de georganiseerde dierenziekten-bestrijding in de 18de eeuw een aanvang nam. Grootschalige, centraal georganiseerde en lokaal streng gecontroleerde uitroeiingtechnieken werden toen voor het eerst ontwikkeld en met succes uitgevoerd.

Met de rundveepest die in die eeuw woekerde en meerdere verwoestende tochten doorheen Europa ondernam wist men immers geen raad. Allerlei remedies werden toegepast door ‘experts’, kruidenmeesters of smeden, de ‘veeartsen’ uit die tijd; godvruchtige boetedoeningen, processies en gebedstonden werden georganiseerd; zelfs inentingen werden geprobeerd, maar de resultaten waren teleurstellend. Men moest toegeven dat er nog geen remedie uitgevonden was die het ontvangen venijn seffens soude kunnen dempen.

Het is de Romeinse geleerde Giovanni Lancisi (1654-1720) geweest die toen voor het eerst een goed inzicht had in hetgeen er kon en moest gebeuren. Toen de runderpest in 1711 de Pauselijke Staten binnendrong, stelde hij aan een college van kardinalen dat zich over dit probleem had gebogen, voor een gezondheidspolitie te ontwerpen...

 

Nieuwsgierig?

Binnenkort in UW brievenbus!

 

Wie nog geen lid is van VIATvzw kan op http://www.viatvzw.centerall.com/ en op http://www.groopy.be/VIATvzw  een kijkje nemen... Daar vind u alle details





 








14:07 Gepost door VIATvzw | Permalink | Commentaren (3) |  Facebook |