09-09-03

TIC 83 "Lekker Dier?! Ze zijn wat we eten"

De vakantie zit erop, en wij gaan weer aan de slag. Eind september rolt een nieuwe aflevering van het Tijdschrift voor Industriële Cultuur, kortweg TIC, van de persen.

Nummer 3 al dit jaar!
Deze keer is het thema gekoppeld aan de tentoonstelling Lekker dier!? Ze zijn wat we eten, doorgaand in het MIAT, Minnemeers 9 te Gent van 10 oktober 2003 tot 18 januari 2004.
 
Hier volgt alvast een voorsmaakje van wat u te wachten staat...

 

Het Groot Vleeshuis: 

een functioneel middeleeuws gebouw

René De Herdt, museumdirecteur MIAT

De ambachtshuizen dateren vaak niet uit de Middeleeuwen

Een aantal ambachtshuizen in de Vlaamse steden gelden als symbool van het middeleeuwse ambachts- en gildenleven. Hun fraaie gevels verwijzen naar die verre Middeleeuwen toen de ambachten het stadsleven in sterke mate bepaalden en de middeleeuwse straten en pleinen deden zinderen van activiteit. .

Het Groot Vleeshuis werd gebouwd in het begin van de 15de eeuw

Er zijn natuurlijk ook gildenhuizen en ambachtshuizen die werkelijk in de Middeleeuwen werden gebouwd. Eén ervan is het fraaie Groot Vleeshuis aan de Groentenmarkt  in Gent.

In de Middeleeuwen waren er in Gent twee vleeshuizen. In die periode wenste de overheid immers streng toe te zien op de verkoop van vlees, dat uitsluitend in de vleeshuizen mocht plaats vinden. Het oudste, mettertijd ook het Groot Vleeshuis genoemd en als dusdanig reeds vermeld in de stadsrekeningen van 1332-33, was gebouwd aan de Leie. Het bestaat nog steeds; doch sinds 1884 wordt er geen vlees meer verkocht.

 

De aristocraten van de middenstand.
Beenhouwers en slagers in Gent (1850 – 1990)

Maria De Waele, wetenschappelijk medewerker MIAT, Gent

Het beroep van beenhouwer is een van de oudste ter wereld. Ook in Gent behoorde de beenhouwersgilde tot de oudste en belangrijkste ambachten van de stad.

De vleeshouwers speelden een onmisbare rol in de voedselbevoorrading van Gent. Zij vormden een zelfbewuste beroepsgroep, die zijn voorrechten jaloers bewaakte.

In de loop van de 14de eeuw verwierf het beroep van vleeshouwer een erfelijk en gesloten statuut, wat voor gevolg had dat het ambacht werd gedomineerd door een handvol families.

 

Na de annexatie van de Zuidelijke Nederlanden door Frankrijk werden de ambachtsgilden afgeschaft. Ook de beenhouwersgilde verdween, en in theorie werd het beroep opengesteld voor iedereen. In de praktijk veranderde er niet zoveel, want de dominerende families overleefden zonder veel moeite het verdwijnen van het Ancien Régime.

 

Met de opheffing van de gilden viel een groot deel van de controle op het slachtproces en de vleesverkoop weg. In de loop van de 19de eeuw ondergingen ook de opvattingen inzake hygiëne en volksgezondheid ernstige veranderingen. Dit betekende dat de overheid, op de eerste plaats de gemeentelijke overheid, haar controle op het slachtproces, het vlees en de vleesverkoop gevoelig versterkte.

De opening van het Gentse slachthuis in 1857 had voor gevolg dat de beenhouwers in een ongemakkelijke verhouding leefden met het stadsbestuur, wat leidde tot herhaaldelijke botsingen. De beenhouwers reage(e)r(d)en zeer wantrouwig op iedere vorm van regelgeving of externe controle, en beschouwden deze inbreuken op de voorrechten, eigen aan hun beroep.

De beroepsorganisaties van de beenhouwers ontpopten zich van in het begin tot onvervalste belangen- en drukkingsgroepen, die de belangen van leden met hand en tand verdedigden. Anderzijds namen de vleeshouwers zelf het niet zo nauw met wetten en reglementen en toonden zij zich bijzonder bedreven in het ritselen en omzeilen van de geldende reglementen.

 

De Gentse beenhouwers lieten - en laten - zich ook kennen als een zeer individualistische beroepsgroep, en de solidariteit met andere zelfstandigen was beperkt.

In tegenstelling tot bijvoorbeeld de bakkers en de kruideniers ondervonden de beenhouwers in het begin van de 20ste eeuw weinig directe concurrentie van de coöperatieven of de leurders. Grootwarenhuizen en winkelketens vormden een veel grotere bedreiging, maar deze concurrenten traden pas voorgoed op de voorgrond in de crisisjaren 1930.

De concurrentie van grootwarenhuizen, super - en hypermarkten en winkelketens nam in de jaren 1950 en 1960 nog aanzienlijk toe, maar het benadrukken van de problemen van de beenhouwers geeft een veel te eenzijdig beeld van hun situatie. Beenhouwersbladen vermelden zelden dat, ten gevolge van het stijgende levensniveau, de slagers na de Tweede Wereldoorlog vele goede jaren kenden. De achteruitgang van het aantal zelfstandige beenhouwers zette zich pas voorgoed door in de loop van de jaren 1980.

 

Het uitroeien van de runderpest in Vlaanderen

(1769-1785)

Regeringsmaatregelen en oppositie ertegen

René De Herdt, museumdirecteur MIAT

Toen de zeer gevreesde runderpest in 1769 de Oostenrijkse Nederlanden binnendrong, werd voor het eerst een grootscheepse, coherente en uiterst gedetailleerde uitroeiingstrategie opgesteld en doorgevoerd. Deze aanpak werd een succes, niet in het minst door de invoering van een vergoedingsregeling voor de geleden verliezen aan de veehouders en door de strenge controles die ingesteld werden. De grondslagen er van - en tot op zekere hoogte ook de uitvoeringsmodaliteiten - blijven tot op de huidige dag geldig.

In het eerste deel van dit artikel worden de maatregelen beschreven en in hun context geduid. In een tweede gedeelte wordt aandacht besteed aan de weerstand die deze volkomen nieuwe politiek opriep in het algemeen en bij de landelijke bevolking in het bijzonder.

 

De geschiedenis van de runderpestbestrijding heeft een bijzondere betekenis in de ontwikkeling van de diergeneeskunde. Het is met deze ziekte, sinds lang verdwenen uit onze streken, dat de georganiseerde dierenziekten-bestrijding in de 18de eeuw een aanvang nam. Grootschalige, centraal georganiseerde en lokaal streng gecontroleerde uitroeiingtechnieken werden toen voor het eerst ontwikkeld en met succes uitgevoerd.

Met de rundveepest die in die eeuw woekerde en meerdere verwoestende tochten doorheen Europa ondernam wist men immers geen raad. Allerlei remedies werden toegepast door ‘experts’, kruidenmeesters of smeden, de ‘veeartsen’ uit die tijd; godvruchtige boetedoeningen, processies en gebedstonden werden georganiseerd; zelfs inentingen werden geprobeerd, maar de resultaten waren teleurstellend. Men moest toegeven dat er nog geen remedie uitgevonden was die het ontvangen venijn seffens soude kunnen dempen.

Het is de Romeinse geleerde Giovanni Lancisi (1654-1720) geweest die toen voor het eerst een goed inzicht had in hetgeen er kon en moest gebeuren. Toen de runderpest in 1711 de Pauselijke Staten binnendrong, stelde hij aan een college van kardinalen dat zich over dit probleem had gebogen, voor een gezondheidspolitie te ontwerpen...

 

Nieuwsgierig?

Binnenkort in UW brievenbus!

 

Wie nog geen lid is van VIATvzw kan op http://www.viatvzw.centerall.com/ en op http://www.groopy.be/VIATvzw  een kijkje nemen... Daar vind u alle details





 








14:07 Gepost door VIATvzw | Permalink | Commentaren (3) |  Facebook |

Commentaren

Splendid!!! De inhoudsopgave ziet er veelbelovend uit...
Ik wacht vol ongeduld op de nieuwe TIC!!!


Gepost door: Paul (alias Strop) | 11-09-03

TIC Homepagina Gelieve dit als opbouwende kritiek te intrepeteren.
De RODE-tekstkleur op de BLAUW/GROENE-achtergrond is géén ideale leescombinatie. De WITTE en de ZWARTE-tekstkleur daarentegen is wel leesbaar.
Verder is dit een prachtig intiatief.

Gepost door: Jean | 15-09-03

We houden rekening met UW suggesties! Het weblog is aangepast op vraag ven de heer Claessens.
Andere suggesties? Altijd welkom!

Gepost door: gerda | 15-09-03

De commentaren zijn gesloten.